TER MEMORIE 5.
OORLOGSJOURNAAL
Toen op 10 mei 1940 Duitsland België binnenviel, poogde ik de gebeurtenissen van de eerste dagen te noteren. Dit gebeurde in een register uit het bedrijf J. & H. Bell, Carlton street, Nottingham, telephone 198, waar mijn moeder tijdens de eerste wereldoorlog 1914-1918 aan het werk was.
De eerste dagen werden nagenoeg per dag opgetekend, tot aan de vlucht naar Frankrijk, terwijl het vervolg pas na de terugkeer werd neergeschreven, namelijk een deel op 30 en 31 augustus 1940, en vervolgens op 14 maart en 20 mei 1941. Bij het uittikken werd alles in de nieuwe spelling gezet.
10 mei 1940
0530 u. Noodsirenen gillen over de stad. Ganse eskaders Duitse vliegtuigen komen Oostende te overvliegen. Op de dijk staan mitrailleuzen en het klein kanon staat bloot. Iedereen is vroeg te been. Nieuwe wandaad van Hitler. Duitse valschermtroepen vallen Nederland binnen, Den Haag beschoten; Luxemburg en België aangevallen. De wedstrijd op leven en dood is begonnen. Het vliegveld van Knokke-Zoute gebombardeerd (8 doden); Antwerpen idem (150 doden). Station te Jemelle in brand. Steeds loeien de sirenes. Alle onderwijs is geschorst,ook de Universiteiten. Nota: Wat niet genoteerd stond : diezelfde morgen was ik gewekt door een ontploffing rond 05.30u. van een bom op het vliegveld te Stene naar men zei. Het was een stralend zonnige dag, en ik fietste langs de zeedijk naar het College voor de mis van 7u, waar wij vernamen dat de oorlog uitgebroken was, en na de mis onze spullen mochten bijeen halen en huiswaarts gaan en blijven.
13.30u. Tussen een dubbele haag van luid juichende toeschouwers en bij het wederzijds wisselen van de kreten “Vive la France!” “Vive la Belgique!” doen Franse troepen hun intrede in de stad. Ondertussen alarmsirenes en Franse vliegtuigen die patrouilleren. Dit duurt voort tot 21 uur. Vluchtelingen komen van de oostgrens en van Luxemburg. Velen met schrik maar toch maar toch onvermijdelijk allen samen gaan we de eerste oorlogsnacht in.
Nota: De Franse troepen die door de stad trokken op weg naar het front werden vervoerd in de typisch groene Parijsse ouderwetse autobussen.
22.30u. Alarm; volledige duisternis. Abris worden weinig opgezocht. Ettelijke malen loeien de sirenes, met begin en einde ongeveer op volgende uren: 23.30u, 01.00u, 02.00u, 05.15u, 06.25u, 06.45u.
11 mei 1940.
06.45u Een Duitse vlieger vliegt driemaal over het vliegveld van Stene op 50m. hoogte en beschiet de vliegtuigen die er in een kring staan. Geen vertoon van verdediging langs Belgische zijde; noch door op te stijgen noch door afweer.
11.32u. Eerste luchtalarm van de dag: zonder gevolg. Het Duitse vliegtuig van deze morgen werd neergehaald door de Belgische marine: het was een Messerschmitt 109. Geen andere bijzonderheden vandaag. ’s Nachts herhaalde malen sirenegeloei vanaf 02.00u. We vernemen: Degrelle, Staf Declercq, plus nog 2 andere partijleiders aangehouden; en alhier ook Devriendt (boekhandel), Pede vader en zoon, Brunet, Osterwind. Cormans (boekhandel) gevlucht.
12 mei 1940. Pinksteren.
Alarm ’s morgens.
12.30u. Twee parachutisten worden onder gejoel en slagen van de Oostendse bevolking in het stadhuis gebracht. Een autobus met 30 Duitsers verkleed in Belgische soldaten werd vorige nacht aangehouden. De Duitsers geraken over het Albertkanaal: er was vertraging om de twee bruggen te laten springen doordat de officier ermee belast, gedood werd. Tanks en motorvoertuigen komen er over. Een Andere officier slaagt erin door de Duitsers te dringen en offert zijn leven door zich samen met de brug te laten springen. De andere brug bleef ongeschonden. Duitsers te Tongeren en Borgworm.
Nota: In hoever al de berichten over parachutisten etc. gegrond zijn? Paniekberichten over verklede soldaten en nonnen, vijfde colonne, geheime tekens aan de achterzijde van Pacha-cichorei reklaamplaten en wat al meer zorgden voor een angstpsychose; alom vermoedde men spionnen;
13 mei 1940.
00.20u. Alarm; evenzo om 01.20u. 02.40u. en later nog. De Duitsers op twee plaatsen over het Albertkanaal. Mr. Hoyaux (een bekende van pa) zegt dat Antwerpen moét vallen (hij bedoelde wellicht dat het geen stand kon houden). De Duitse radiopost meldt dat de hakenkruisvlag zou wapperen op de citadel van Luik. Reeds velen van het 3e Linieregiment (garnizoen Oostende) zouden gesneuveld zijn.
20.20u. Alarm en 3 Messerschmitts vliegen laag over de stad richting De Panne. Verder geen alarm meer. Tot nog toe werd Oostende niet gebombardeerd. Drie autobussen Duitsers aangehouden. Ook dokter Legier vastgehouden.
14 mei 1940.
Een paar lichte alarm’s ’s nachts en ook ’s morgens. Massa’s parachutisten zijn gedaald in Nederland.
15 mei 1940.
21.30u. Zonder alarm, plots geweldig gekraak. Drie bommen ontbrandden in onze stad, de eerste sinds de oorlog begon. Lichtende afweerkogels suizen door de lucht. Iedereen vlucht beangstigd naar de schuilplaatsen. In totaal werden vier bommen geworpen. Verder nog sirenengeloei, gelukkig zonder bommengeknoei.
Hieronder schreef ik : Onderbreking van dit oorlogsjournaal wegens het vertrek van schrijver dezes naar Frankrijk op 16 mei 1940, zevende oorlogsdag, beantwoordend aan de oproep van de Belgische regering, waarbij alle mannenvan 16 – 35 jaar naar Frankrijk moeten gaan om er hun opleiding te krijgen als Belgisch militant(sic). Uitbreiding over deze reis volgt.
Op 30 augustus 1940 schreef ik een eerste vervolg.
15 mei 1940.
Rond 17 uur streek een nieuwe stemming van bedruktheid over de stad neer. Inderdaad langs ’s lands antennes werd gelanceerd dat alle jongelingen op eigen middelen de grens België – Frankrijk moesten oversteken om in dit laatstgenoemde land hun opleiding te krijgen als belgisch militant(sic van mij). Dit woord en het vooruitzicht -onwaarschijnlijk althans voor wat betrof de jonge lieden beneden de twintig- eens met het geweer aan de schouder in de loopgraven te moeten fungeren, brachten grote ontsteltenis teweeg in het hart van de Oostendse moeders wier zonen onder deze voorzorgsmaatregel vielen.
Schrijver deze echter had het geluk samen met zijn ouders en zuster, deze trektocht aan te vangen. Ik zeg wel samen aanvangen, want het vervolg zal uitwijzen dat een scheiding niet kon uitblijven. Lopen we echter de snelvliegende tijd niet vooruit en vangen we aan met het begin van de “trek”.
In illo tempore….dat was op 16 mei 1940, een donderdagmorgen, dat de uittocht naar Frankrijk een aanvang zou nemen.
Het vertrek, vooraf vastgesteld om 6 uur, werd met een uur verdaagd, als gevolg van de slapeloze nacht welke velen doorgebracht hadden in de schuilplaatsen, dit, eveneens gevolg, en wel, van de eerste Duitse vliegeraanval op onze stad. Die morgen had de grote pot Quaker Oats maar half gesmaakt, maar dubbel gevuld: de honger was immers niet groot bij zulk weinig rooskleurig vooruitzicht alles te moeten verlaten; en als men daarbij bedacht dat de oorlog van 1914 vier jaar had geduurd.
Inderhaast werden de zakken nog volgestopt met het hoogst-, minder- en minst nodige (een spel kaarten, colknoopjes, touwen, wegenkaart, dynamo…), en om 7 uur klonk het vertreksein, sein tot afscheid. Wie weende er niet op dit roerend ogenblik?! Slechts één wens kon men elkaar nog toesturen: deze op een spoedig weerzien.
Eindelijk, en toch veel te gauw, laatste kus, laatste handdruk. Iedereen steeg in, de wagen werd afgesloten, de motor begon te ronken: we vertrokken !
We: dat waren de families Bosser en Van Staen samen 14 man, wij gevieren (pa, ma, zus Gilberte en ikzelf) en kozijn Gerard die de dag voordien vanuit Blankenberge was gekomen en ons zou vergezellen, want ook hij was 16 jaar oud. In totaal dus 19 personen.
Aanvullende nota bij het typen hiervan op 9 nov 2001: De twee vermelde families kwamen uit de Luikse regio en waren op de vlucht richting Frankrijk; daags voordien waren zij bij ons aangeland (hoe?) in de Velodroomstraat 4 te Oostende waar wij woonden, en werd hen onderdak verleend voor de nacht. Bij gebrek aan voldoende bedden sliepen zij op de rez-de-chaussée op stoelen en in zetels. Er was een meisje van een jaar of zes, een zuigeling, jongere en oudere mensen. In de veronderstelling dat elk van deze kinderen zijn ouders meehad en dat ook alle grootouders erbij waren (8 dus) komt men tot 14 personen.
Vader Boydens, scheepsdeskundige voor het classificatiebureau Bureau Veritas, die opdracht had, in geval van troebelen, zich bij de hoofdzetel te vervoegen te Le Havre, moest dus ook naar Frankrijk uitwijken, en de families Bosser en Van Staen die over twee personenwagens en een volgestouwde lichte vrachtwagen beschikten, boden ons aan met hen mee te rijden, wat wij dan ook aanvaardden.
Een laatste gedachte gleed me door het hoofd, gevolgd van een groot vraagteken: Wanneer komt de dag dat we Velodroomstraat weer zullen binnenrijden. Vanaf dat ogenblik waren we gerekend onder het getal der vluchtelingen.
Tante Angèle, moeders zuster, Jozef Berden, zus’ verloofde, en de meid Marguerite Defever uit Stalhille, wuifden ons uit.
Onze gangmakers zetten er onmiddellijk een snel tempo in, zodat de benen duchtig dienden gerokken te worden : Gerard en ik waren immers per fiets. Toch was het rijden in deze vroege nevelachtige morgen niet van alle aardigheid ontbloot. Even buiten Mariakerke kwam het eerste incidentje ons bevangen: Gerard verloor plots al wat er aan bagage op zijn fiets gebonden was. Ik spurtte tot bij de chauffeur en onmiddellijk werd het gaspedaal gelost. Snel werden de pakken weer opgeladen en het touw wat harder aangetrokken. Ondertussen was bij de chauffeur, de heer Bosser zoon, een zeer lumineuze idee opgekomen, want toen we terug onze gemotoriseerde gangmaker bereikten, had deze als nieuw ornament twee prachtige splinternieuwe stukken touw gekregen. Gelukkig dat bij die wedstrijd geen officiëlen te pas kwamen, zoniet werden we onverbiddelijk uitgeschakeld. In ieder geval, het was niet slecht bedacht en nu vlogen we aan 60 per uur over de baan, zonder zelf maar een voet te moeten bewegen, maar met in d’ene hand het eind hennepdraad en in de andere hand de hotsebotsende moeilijk te hanteren stuurstang, het gehele kader tussen de knieën geklemd lijk een paard tussen de sporen.
De tocht ging ononderbroken verder : Middelkerke, Westende, Lombardsijde werden in de vlucht voorbijgetrokken. Nu en dan, voor een dorp of aan een brug, stonden Franse militairen hun plicht te doen, ‘t is te zeggen passen onderzoekend, op de uitkijk naar een of ander spion, of volgens het woord van de dag, naar een of ander parachutist.
Aan Veurne werd de tocht enkele minuten geneutraliseerd: inderdaad hadden de motoren een verse voorraad essence ofte brandstof van doen, en daartoe moesten we geduldig onze beurt afwachten in de rij auto’s. Of die mensen daar wat verdienden? Naar ik mij kon herinneren hadden we ongeveer vijftig liter voor zowat vijfhonderd frank.
De motoren ronken alweer en ditmaal op de grote baan die leidt van Veurne naar Ieper, die we echter na een kleine tien kilometer verlaten en rechts een. zijweg nemen naar Hondschoote en de grens af. Bij het afdraaien stopt de heer Van Staen om enkele kennissen uit de vorige oorlog te begroeten.
Heel langzaam schuiven de auto’s en vrachtwagens aan, langs twee wegen op de baan die naar de grens voert. Overhands mogen er vijf van elke weg bijschuiven. Fietsers hebben hier alle gemak van doorrijden. Het is tien uur als we ons in de rij komen stellen. ledereen is uitgestapt, en telkens de wagens een dertig-vijftigtal meter verder kruipen, wat maar alle 15-20 minuten geschiedt, volgen we te voet. Voor een ongestoord middagmaal hebben we hier dus overschot van tijd.
De auto die ons volgt wordt bestuurd door een priester, er uitziende als een Engelsman. Ma gaat een praatje aan met de dame die in deze wagen zit, en begint in “t Engels, doch wordt niet verstaan,want “Madame est française”.
Dit vervolg werd geschreven op 14 maart 1941.
Hikkepetchikke komen we vooruit, maar we hebben de zekerheid dat we grens naderen. Daarachter ligt het beloofde land, daarachter zijn we veilig… daarbij we moeten toch voelen dat het oorlog is en zulke toestanden zijn onvermijdelijk. À la guerre comme à la guerre gold als algemeen motto. Die wijze spreuk kwam uit de mond van een oude reisgenoot, die zijn gezegde bestempelde met een flinke teug cognac… uit onze fles.
‘t Liep zowat rond vier uur als we mochten zeggen: daar zijn de douanen! “Pas de sucre, pas de café, pas de chocolat?” – “Non monsieur, nous n’avons que…” – “Bon!” De beambte had zijn plicht gedaan, en ter bekrachtiging van zijn grondig onderzoek, waarbij onze 25 Kg koffie, 5 pakken chocolade en x Kg suiker en andere voorraad veilig verborgen bleven, kreeg de camion een wit kalkkruisje op zijn spatbord. We waren waardig verklaard het beloofde land binnen te treden.
Ter illustratie weze gezegd dat een zeken man met een gekwetste arm ervan geprofiteerd had om van vanachteren naar voren te schuiven met zijn zelfmobiel. Terwijl hij op de treeplank stond, week de medelijdende menigte vol eerbied achteruit om die “sukkelaar” door te laten. Maar die “sukkelaar” vaarde er het best bij, totdat hij binnen onze actiestraal kwam. Onverbiddelijk en krachtdadig tekende de jonge mama Bosser verzet aan en plaatste zich vlak voor de auto die dus te kiezen had tussen stilstand of ongeluk. De gekwetste arm die feitelijk toch maar een kakmaker was, verloor hier al zijn pluimen en kon na ons in de rij plaatsnemen. Anderzijds stond bezijden de baan een andere vrachtwagen dien de douanen bezig waren te lossen: smokkelwaar waarschijnlijk, verboden vruchten, sucre, café, chocolat. Die te veel wil, heeft niets.
Eindelijk op de vrije baan! De wielen draaiden sneller, de assen liepen warm, de touwen rekten en wij hotsten over de “route nationale” naar Bergues toe. Naar ik mij vaag kon herinneren had ik die omgeving nog gezien.
Ondertussen had ik in het grint naast de weg nog een tuimelperte gezet, en het touw moeten lossen. Gerard als trouwe gezel volgde mijn voorbeeld na voor wat betreft het lossen van het touw. Het duurde lang eer de auto eindelijk tot stilstand kwam en ons opwachtte, gewaarschuwd door de personenwagen die volgde en de tuimelaar gezien had. Mijn tegenwoordigheid van geest niet verliezend sprong ik bij het vallen over mijn fiets heen en kwam slechts met mijn handen op de grond terecht. Zonder erg ging de tocht weldra verder en kregen we de zwarte fabrieken van Duinkerke in het gezicht; niet lang daarna spurtten we de stad binnen. Hier ging bijna gans de bende een “bistro” binnen, terwijl pa en ik op zoek togen naar de Bureau Veritas. De Bureau was gesloten maar de heren waren ergens in een hotel “La chèvre d’or”, meen ik. Binstdien was er alarm en hoorden we de slagen van de luchtafweer. Na nog met een heer uit Antwerpen te hebben gesproken, gingen we toen ook de bistro opzoeken. Ik wer erg geplaagd door buikpijn en was al kontent toen ik iets te eten kreeg. De bistro was er een van het puurste Franse type, waar de bazin met de kaailossers een onduidelijk argot-taaltje kwetterde, en waar we voor de hele boel, zegge witte en rode wijn, water, bier, grenadine, voor zover ik nog weet, de volle som van 7 franse frank betaalden.
En nu? Het was vreemdelingen verboden in Duinkerke te verblijven; er zat dus niets anders op dan verder te reizen. Aangezien pa voor Bureau Veritas in Duinkerke moest zijn, besloot hij wat verder af te stappen, bijvoorbeeld te Saint-Omer. Er werd nu ook besloten dat wij, de twee fietsers, voortaan ook zouden vervoerd worden op vier in plaats van op twee wielen; dus werden de fietsen bovenop de wagen gezwierd en vastgeklonken. Het was echt typisch voor een vlucht, dat we nergens lang bleven, het was dus een echte vlucht.
De weg liep terug over Bergues en vandaar naar St.-Omer waar we ons voorgenomen hadden af te stappen. Aber! St.-Omer was ingericht als legerplaats: de stad was één en al kazerne, dus maar weer verder. De tijd kroop voort, ‘t werd donker, koud en onaangenaam. Het dekzeil werd over de wagen neergelaten en zo zaten we nu gans in een donker hok waar de tocht nu en dan doorheen speelde en ons deed huiveren. Stilte, ieder zat er met zijn eigen gedachten… Ja, werkelijk, we waren op de vlucht.
Soms kregen we een geweldige stoot als we in een put reden, en schrokken dan uit onze gepeinzen wakker om een ogenblik later weer, met het hoofd in de handen, in te dutten.
Plots, een zwenking, een schok, halt. Afstappen! We zijn op een boerenhof. Slaperig en rillend van de kou klauteren we van de wagen af. Een bereidwillig oud moedertje pokert het vuur wat op en warmt melk en kookt eieren. Hier is het gezellig. De kleine zuigeling-op-de-vlucht bleirt om zijn fles en wordt een propere doek aangedaan. Matrassen, dekens, kussens worden bijgesleept en naasteen opengelegd. De slaapplaats is gereed: Goên avond! Bonsoir! Pa, Gerard en ik maken ons een plaatsje klaar buiten in de vrachtauto, spreiden er een deken uit en vleien ons er op: ’t is hard, maar ’t is oorlog en dat is nog veel harder.
Op 19 mei 1941 werd het volgende neergeschreven.
17 mei 1940. Nee, zacht hadden we het bepaald niet gehad in onze transporter en warm ook al niet. Maar daar ga je niet van dood; integendeel, het bevordert het vroeg opstaan wat dan ook alweer gezond is. Zo geschiedde het die dag dat we ontwaakten te midden van het hennengekakel, het ganzengesnater, het koeiengeloei en het zwijnengeknor; de mesthoop rook aangenaam en een gloedrode zon aan een onbewolkte hemel waren voorboden van een dag vol zweet.
Aan ons bed viel niet veel op te schudden, en enkele ogenblikken later stroelde het pompwater reeds over ons hoofd en wies hiermee de laatste nachtelijke klamheid weg. Binnen kwam er al enig leven in de in de slapende massa: wellicht waren ze daar aan ’t geeuwen en aan ’t rekken. Een bescheiden blik naar binnen zou ons de waarheid gewezen hebben, maar het was niet meer nodig want één voor één strompelden ze nu op hun nog stramme benen naar buiten, ademden de gezonde mestvaaltlucht in, schudden zich de laatste slaapluizen van het lijf, groetten hier en daar, en richtten toen hun schreden naar de pomp. Koud is het water, ja en koud ook die morgenlucht, maar dat zegt men zo maar niet, en als men zich deftig wil houden tegenover de andren, dan zegt men: “Fris niet?”. En het antwoord luidt dan onveranderlijk: “Ja, maar gezond!”. Want voor ons stadslui die de boerenlucht en de morgenlucht niet gewend zijn, is nu eenmaal alle morgenfriste het symbool van gezondheid.
Terwijl iedereen nu druk in het waswater aan ’t plonsen was, achtte ik het niet ongewenst even de omgeving te gaan verkennen, waartoe ik mijn kozijn uitnodigde. Een hoge heuvel trok het eerst onze aandacht: wie kan immers weerstaan aan de hoogte? Weldra slingerden we onszelf door een holle zandweg. Enkele borenhuisjes stonden rechts netjes in orde geschilt, en lijk bij ons te lande zo wenketen ook hier de vriendelijke Clerquenaren ons een goemorgen toe. Weldra lagen de huisjes achler ons en wandelden we tussen de twee hoge bermen door. Veel witte, gele en paarse bloempjes in het gras bezijden de wegel. Op de weg zelf veel kalkstenen en ontelbare, duizenden kleine vliegjes die gracieus om enkele verse koeplaasters dansten; in de hellende weiden stonden de logge koeien reeds hun eerste morgenklaver te knabbelen. Eindelijk liep de zandweg dood in een uitgestrekte weide en te midden het natte gras klommen we steeds verder de hoogte in. De dauw maakte ons aangezicht wak en mengde zich met het zweet ons aanschijns dat stilaan de poriën begon uit te breken. Hoog was het wel, maar aan terugkeren dachten we niet.
En plots stonden we boven! Uitgeweide natuurbeschrijvingen wil ik hier liever weglaten daar ze toch steeds dezelfde zijn, maar toch kan ik niet nalaten aan te stippen dat we die ganse brok natuur aanvoelden, de vuurrode zon, de groengolvende weiden,de stijgende damp uit de dalen, en in de verte de blauwende bergen. Dat is niet uit te drukken, je moet het zelf ondergaan.
Vanop onze heuveltop overschouwden we alles als vanuit de fines terrae: een echt vredig landschap. Welke sterveling hier dacht nog aan oorlog? Zelfs wij niet… tot we plots heel ver onder ons, op een fijn lintje, dat men ginder beneden de “route nationale” heette, een miniem autootje zagen voortkruipen, hoog beladen met pakken, matrassen en overbevolking (bij suppositio). Dit bracht ons op de gedachte dat ook wij inderdaad aan het vluchten waren. We zagen daar ergens ook onze hoeve liggen, diep en klein, maar…eh…was ist los? Warempel daar stonden allen een boel maneuvers te maken met de armen in de lucht. We begrepen: tijd om te vertrekken. In gestrekte draf holden wij nu onze heuvel af en alles nam weer zijn normale grootte aan. In de holle weg kwam onze waakzame gezinsleider ons tegemoet, gans ingeburgers reeds met de alpenmuts op het hoofd. Samen gingen we een moment het zeer kleine sobere doch typische kerkje binnen. Het was zeer laag, in gotische trant, maar met een middenblok in romaanse stijl, dat afbrokkelde en waarschijnlijk veel ouder moest zijn.
Op de grote baan was het reeds een stoet van voorbij zuchtende privéauto’s, voor de gelegenheid omgetoverd in vrachtwagens met hoog draagvermogen.
Op het erf werden de matrassen met lange koorden bovenop onze camion vastgeregen. Veel tijd bleef er niet meer over, juist genoeg nog om enkele tarweboterhammen te proeven en de hete koffie door de keel te spoelen. Terwijk de laatste toebereidselen aan gang waren, liep ik vlug nog eens rond om de zwijnen, hennen, paarden etc. te keuren, en toen de klok negen uur wees, zonden we een laatste groet naar de vriendelijke huisbazin die lachend, de handen in de heupen, ons een goeie reis toeriep. We namen onze plaats in tussen de andere voorbijschuivende wagens en vluchtten weer verder,zwichtend voor het brute Duitse geweld.
Adieu Clerques, gehucht van vrede!
De weg krulde omhoog tot een vraagteken. Wat zou het vandaag worden? Nu voelden we ons opnieuw ten volle in oorlogsstemming. Ja, ook vorige nacht hadden we in de verte, wellicht was het Duinkerke, zware kanonslagen gehoord. Hoever was het gesteld met het Albertkanaal? En de forten van Luik? En die van Antwerpen? Nederland had reeds gecapituleerd en de woeste Hunnen stormden nu ook langs het noorden binnen. Het was nog maar de tweede dag en reeds zo verlangden we naar de dag der verlossing.
De oorlogscommuniqué’s waren toch geruststellend: de Fransen en de Engelsen zouden wel weten te winnen, lijk in 1914-18. Een beetje geduld slechts tot ze op de goede posities gekomen waren. Maar waarom aan oorlog denken? De dag is mooi en we reizen. Laten we liever de tocht toeristisch opnemen en profiteren van de occasie.
Dit vervolg werd neergeschreven op 20 mei 1941.
De tocht is ten andere ver van onaangenaam. Het weer iş wondermooi, de wegen zijn goed, en de snelheid laat niets te wensen over. Daar we de kust naderden was er van bergen niet veel te bespeuren, en moesten we ons tevreden stellen met vlakke landschappen. Tegen de middag reden we Boulogne binnen. De straten gingen hier ook op en neer en heel hoog zagen we een kerk boven alle andere huizen uitgrocien.
Hier moest ergens een vaste bevoorrading zijn, want we hielden stil, en inderdaad, niet lang daarna waren pa en ma reeds verdwenen in de richting van het huis Houzé: daar zou misschien wel iets van afdruipen. Binst die halte konden we op ons gemak eens de grote boulevard op en neer wandelen, en hadden we ook de gelegenheid een kabelballon te zien inhalen door een Engelse compagnie. Boulogne was ten andere rondom omgeven van zulke vreemdsoortige worsten.
Een driekwartuur nadien verscheen onze afvaardiging terug, beladen met brood, eieren, wijn, chocolade, spekken…., en het sein voor de aftocht werd geblazen. Intussen zagen we steeds vele mobielen tot barstens toe opgepropt, en wel zoveel, zo niet meer Belgische als Franse wagens.
Twee minuten later waren we alweer tussen onze bagage geklauterd en weldra bleef er van Boulogne niets meer over dan een vage herinnering.
Maar de honger begon te pramen en te steken, to een verlokkelijk sparrenbos de remmen op de motoren legde. We konden voor een paar ogenblikken vergeten dat we vluchtelingen waren en strekten ons behaaglijk in het koele gras naast de weg.
Rsjjj..Rsjjj… Klok! Glou, glou, glou…Geritsel van papier, flessen worden ontkurkt en de rode wijn klokt parelend in de bakelieten bekertjes; de boterhammen en de eieren worden vlug en smakelijk naar binnen gewerkt. Een echte picnic! Beautiful! En de grote bruine mieren deden een cross-country over de eierschalen heen. Terwijl de ouderen de laatste restjes verorberden en dan schijnbaar onbekommerd genoten van een zal rusthalfuurtje, met hun gedachten misschien mijlen ver de lange lange baan terug die we sinds gisteren hebben afgelegd, nemen wij, zonder zorgen, enkele sparrenbomen onder bakstenenvuur en laten om ter meest verdroogde dennenappels neerregenen: de prijs die slechts in naam bestond, kwam mij ten goede, evenals in het gewichtwerpen waarin ik het Waaltje afgetekend versloeg.
Het dolce far niente kon echter niet blijven duren; steeds met de spookgedachte “wij moeten vluchten, zij naderen steeds” als een geselzweep, moesten we vooruit.
De ganse namiddag werd verder een tocht van aangenaamheid en genieten in dromerige warmte langs de stoffige grijze wegen afgewisseld met de milde zoetheid der lommerige bosgeuren. Heel ver zagen we weer een wazige miststreep en dat moest de zee zijn; overal was hier nu het land vlak, maar het had toch niet dezelfde weidefrisheid als bij ons.
Te Rue! Nieuwe sensatie. Hier moet een hele trein met krijgsgevangenen voorbijstomen. Weer werken de remmen en in volle vaart stormen de Waal, Gerard en ik naar het station waar we zonder moeite op het perron geraken. “Hij is daar!”. Nee toch niet! “Hij is daar!” Nee,het is een andere trein. Wachten….Enkele Franse soldaten, de ene in blauw de anderen in khaki uniform zitten slaperig op de banken of op de grond te wachten tot hun trein komt die hen naar het front moet voeren; naar het front of naar de dood?
De trein was waarschijnlijk zelf weer krijgsgevangen gemaakt want hij wou maar niet afkomen, en toen zijn we teruggegaan naar onze trekbeesten waar men reeds ongeduldig zat te wachten, zooo ongeduldig dat ze bijna zonder ons wegreden.
Naar Abbeville waar we doorreden werd niet omgezien.
In Eu(?) moesten de identiteitspapieren weer bovengehaald want daar was men ijverig op zoek naar een in priester verklede spion. Heerste hier ook overal die “vijfde kolonne- en parachutistenkoorts”? Gelukkig hadden wij hen niet verborgen in onze marchandise en konden we ongehinderd voortreizen.
Het begon te duisteren; van zoel werd het koel en de avond viel in.
Neuville, Route d’Eu. Stop! We zitten 3 Km voor Dieppe. De heer Dambrinne, een vriendelijke oude man met onafscheidelijke béret basque, nodigt ons gastvrij in zijn huis. Je kan draaien noch keren: wij met onze bonte bende, en dan het huisgezin van de gastheer zelf, dat zowat een drietal jongens telt (ze zijn in de Défense Passive), en ongeveer evenveel dochters.
“Zeker, mijnheer, we zijn toch zo moe…”, maar eerst moeten we de echte “cidre” proeven en een stukje taart eten. De cider in het begin was een tegenvaller; het was zoiets als ‘t sap van een beschimmelde citroen waar niet genoeg suiker bij was. Maar iedereen vond het uitstekend, dus knikte ik mee in het koor en vond het…hmm.…ook uitstekend. De taart had veel weg van een aangebrande zoetekoek maar de goeie smaak had men eerst pas als het op was, zodat ik begerig naar de schaal keek, die echter al was leeggeplukt eer ze weer bij mij was aanbeland.
De vrouwen konden gerust hier blijven slapen, men zou wel wat de plaatsen opruimen om de matrassen te kunnen leggen. “Allez, bonne nuit et à demain”. De mannen gingen enkele huizen terug bij “een goeie boer”. Ja, ja, er was nog plaats in de schuur. Toen de deur openschoof en we onze grote publieke matras betraden, hoorden we hier en daar geronk en geritsel: Ratten? Lotgenoten?
Hier eindigt dit toenmaals geschreven verslag over de eerste dagen van de vlucht.
En zoals Churchill ooit zei :”This is not the end; this is not even the beginning of the end; this is perhaps the end of the beginning”.
Het vervolg moet nog ingepast. Kort samengevat: Na een bombardement op Dieppe vertrokken Gerard en ik per fiets, en daarna per trein voor een lange tocht die ons naar het kamp van Agde zou leiden, terwijl ouders en zus tenslotte in Lorient onderdak vonden, waar ik mij later bij hen vervoegde, tot we begin augustus 1940 weer thuis geraakten.
In het geciteerde dagboek stond enkel nog vermeld:
11 feb 41, Duikbootbasis Opex wordt beschoten vanuit zee. 48 obussen; kerktoren Opex weg.
12 feb 41. Men voorspelt: 20-2-41 Engelsen in Tripoli; 20-3-41 Duitsers in Plymouth; 23-3-41 Duitsers uit Tripoli teruggeslagen; 6-5-41 Amerika in oorlog; juli 41 Engelsen in Bordeaux, Boulogne, Calais; nov 41 Italië kapituleert; 12-2-42 VREDE.
Het zou wel even anders uitlopen.
Honoré Boydens.
Aanvulling op het originele oorlogsverslag door Lieve, dochter van Honoré Boydens
Hieronder leest u in een krachtige samenvatting het vervolg van de oorlogservaringen van de neven Honoré en Gerard Boydens. Deze tekst werd ons bezorgd begin januari 2026
18 mei ’40 : de Waalse families vluchten verder Frankrijk in, gezin Honoré Boydens blijft daar, maar heeft geen auto meer. Vader Honoré Senior stuurt Honoré Junior en Gerard vooruit naar Le Havre met de fiets om daar te melden dat de rest achter komt zodra ze vervoer hebben.
Honoré en Gerard fietsen langs de mooie Franse kust onder andere Fécamps. Ze rijden tot Epouville (op 15 km van Le Havre), waar alweer in een schuur overnachten.
19 mei ’40: Bij hun wandeling door de mooie natuur worden ze tegengehouden door Franse gendarmes…. H. en G. moeten zich gaan aanmelden bij het Belgisch recruteringsbureau in Bernay. De jongens fietsen eerst tot Pont-Ademer , waar ze eten en overnachting krijgen.
20 mei ’40: Van Pont-Audemer fietsen ze naar Bernay en melden zich aan bij het Belgisch Recruteringsbureau. Daar krijgen ze te horen dat ze naar het station van Conge moeten fietsen om daar de trein te nemen. Ze worden er in een beestenwagon gestopt met nog anderen onder andere KSA’ers van Ekeren.
De treinreis duurt meerdere dagen en nachten. Ze rijden via Tours, Bordeaux, Toulouse, Carcassonne, Béziers. Hier en daar worden groepjes jongeren afgezet en de fietsen worden in Bordeaux gelost (raar maar waar; enkele jaren later krijgt Honoré zijn fiets thuis gestuurd). Hun wagon wordt afgekoppeld in Agde op 28 mei (de dag dat België capituleert….)
Ze komen in kamp 3, barak 44 terecht. Er is weinig eten, moeten op planken slapen en van opleiding of activiteiten is geen sprake. Pure ellende en verveling. Beide neven blijven er tot 22 juni ’40.
Ondertussen heeft Honoré al naar zijn Ouders via Bureau Veritas in Le Havre (zijzelf verblijven in Lorient) kunnen schrijven en hen op de hoogte gebracht van hun verblijfplaats in Agde. Wellicht brachten de ouders, tante Maria (van Gerard), ook gevlucht naar Frankrijk en verblijvend in de Loirestreek, op de hoogte hiervan.
Op 22 juni ’40 kan kranige tante Maria de 2 jongens uit het kamp halen en brengt zij ze naar de familie Jules Viviani in Agde die zich over hen ontfermt. Honoré had dysenterie en was helemaal ondervoed . De neven kunnen worden ingeschreven in de gemeentelijke registers van Agde en bekomen zo rantsoenzegels voor brood en suiker. Ze verblijven daar tot 16 juli ’40.
Na het krijgen van de post van zijn zoon, besluit Honoré Senior om Honoré en Gerard te gaan terughalen. Hij is echter niet op de hoogte van het feit dat tante hen al uit het kamp had gekregen. Gelukkig kunnen de mannen in het kamp vertellen dat hij ze moet gaan zoeken bij familie Viviani. En zo geschiedt het…
Op 16 juli ’40 brengt Honoré Senior zijn zoon en neef naar Lorient. Daar verblijven ze een 19-tal dagen. Op 4 augustus’40 reist de familie terug naar België. Honoré met vader, moeder en zus. Gerard met zijn tante.
Beiden komen op dezelfde dag weer thuis, namelijk op 7 augustus ’40.
Lieve Boydens




