Het dagboek van Karel en Jozef Vangheluwe

Reisbeschrijving  van de vlucht naar Frankrijk 1940

Voorwoord

Dit dagboek van “meester” Jozef Feryn kreeg ik voor het eerst in handen in 1993. Naar hij beweert is het niet zijn eigen werk maar heeft hij deze aantekeningen gemaakt op basis van notities van medestudenten (één van de broers Casteleyn ?). Ik heb het verhaal uitgeschreven op basis van deze aantekeningen. Het was immers nog geschreven in de “oude” spelling die in 1940 gebruikt werd. Het woordgebruik is sinds  deze tijd ook geëvolueerd. Woorden die toen heel vaak werden gebruikt hebben niet meer dezelfde betekenis  Verder is er ook vaak in telegramstijl geschreven zodat een  zinsbouw ontbreekt. Het is niet belangrijk om hier alle feiten perfect in volgorde te plaatsen. Ik vind het vooral een menselijke getuigenis uit één van de donkerste tijden van deze eeuw.

Naast het verhaal van mijn oom, Karel Vangheluwe, vormt het een beeld van de toestand in België en Noord-Frankrijk in mei 1940.
Het verhaal begint enkele dagen dagen na de Duitse inval van 10 mei.

De vertrekkers
  • Cappoen Albert: (de suf)
  • Cappoen Raymond neef van voorgaande
  • Casteleyn Gustaaf
  • Casteleyn Richard broer van voorgaande
  • Casteleyn Rafaël
  • Deceuninck Juliën
  • Decoster ?
  • Demarest Marcel
  • Denoo Henri
  • Dereeper Triphon
  • Descheemaeker Robert
  • Devrieze Jozef
  • Devrieze Roger
  • D’Hoore Jozef
  • Feryn Jozef
  • Ghistelinck
  • Hoorens Gaston
  • Jacobs Alfred
  • Jacques Gérard
  • Jansseune Abel
  • Jansseune Daniel, broer van voorgaande
  • Lambercy Robert
  • Lannoo Marcel
  • Maes Roger
  • Nolf Daniel
  • Peel Jozef
  • Pollet Jozef
  • Roelens Oscar
  • Schabaillie Edmond
  • Vandelanotte Edmond
  • Vangheluwe Karel
  • Vangheluwe Jozef, broer van voorgaande
  • Vanhoutte Henri
  • Vanzellaer
  • Vanthournout Albert
  • Vanthournout Karel , broer van voorgaande
  • Verschaeve Gilbert
  • Clement Marcel
  • Tavernier Wilfried
Inleiding

JOZEF: De mare deed de ronde dat alle jongelingen van 16 tot 35 jaar het land moesten verlaten en naar Frankrijk trekken. Het was zelfs reeds uitgeplakt in Lichtervelde. Alle studenten van rond Torhout werden verwacht op Woensdag 15 mei om 5 uur ‘s avonds in het St-Jozefsgesticht.

E.H. Ghesquière lichtte ons in omtrent de aanstaande afreis naar Frankrijk, die ook aanbevolen was door de bisschop. Hij deelde ons mede wat we dienden mede te nemen

E.H. Bestuurder met E.H. Berquin, Debusschere, en Van Elslande, waren reeds per auto vertrokken om plaats te zoeken voor ons. We zouden naar het département Calvados vertrekken, daar zouden de Normalisten samenkomen en zich verdelen over enkele grote hoeven, en indien mogelijk een soort normaalschool oprichten. We kregen hier ook een bewijs van gedane studies. Zo zouden we vertrekken de Zaterdag (18 mei 1940)

KAREL: Zo brak 10 mei ’s morgens aan. Toen ik opstond hoorde ik een ratelend geluid. Het was mooi weer, ik keek door het venster van de slaapzaal en zag een paar vliegtuigjes eigenaardige bewegingen uitvoeren. Ook kleine witte wolkjes ontstonden hier en daar. De oorlog was begonnen.

Beneden in de studiezaal kwam E.H. Leterme schreiend binnen, en van op het katheder deelde hij mee dat het oorlog was, en dat we zo vlug mogelijk naar huis mochten om alle gerief en bezittingen op te halen.

We vonden het interessant, de plotse vrijheid lonkte ons, de oorlog was vreselijk boeiend. Alleen het schreien van de directeur, die volwassen man die plotseling alle waardigheid en reserve in het open­baar losliet, maakte ons angstig. Hij wist wat oorlog was, wij niet.

Thuisgekomen luisterden we naar de alarmerende berichten, de ene al dwazer dan de andere. De Duitsers braken vlug door de fortenlinie en naderden elke dag. Wij gingen ons goed ophalen; ik bracht met de bestelwagen van de bakkerij Ameel mijn matras en koffer en die van Armand Muys en van de gebroeders Tanghe naar Lichtervelde. De Normaalschool belegde een vergadering woensdag 15 mei te 17 uur op het ogenblik dat omgeroepen werd dat alle jongens van de klas 21 naar Frankrijk moesten vluchten. Er werd aldus besloten een vluchtreis per fiets te organiseren. Thuis besloten ze ook Jozef met mij en de Normaalschoolstudenten te laten vertrekken. De begeleiding van een paar professors schonk vertrouwen. Een voorraad voedsel, kleren en dekens werden in twee witte hanenzakken gestopt en achter op onze fiets gebonden. Jozef en ik vertrokken op zaterdag 18 mei om 3 uur langs de Essestraat; we zouden Jozef Feryn ophalen die in de Weststraat woonde. Samen vertrokken we naar Torhout. We vergaten het verdriet van onze ouders. Vader zei “Ik had ze nooit alleen mogen laten gaan, ik moest mee geweest zijn”. Hij was 65 jaar oud. Voor ons was echter een spannend avontuur begonnen.

Zaterdag 18 Mei 1940 :Vertrek

JOZEF: Rond 1 uur komen Karel Vangheluwe en zijn broer naar ‘t onzent en wij vertrokken samen naar Poperinge. Over Langemark moesten we ons paspoort tonen aan de Belgen, verder gebeurde er niets bijzonders. Ik had mijn valies langs voor op mijn fiets met klederen en eetwaren, Mijn dekens hingen op mijn rug.

Tegen 4 uur kwamen we aan te Poperinge in de Café”Au Boulevard”  bij E.H. Cappoen. Daar eten we voor 4 uur onze mondvoorraad. Ondertussen komen de anderen ook geleidelijk toe.

Wij als eerst aangekomenen krijgen slaping in het huis nevens den Boulevard, waar we een matras  krijgen, van drie personen.  Die avond zien we ook een Duits vliegtuig neerhalen door een Franse jager boven Elverdinge.

KAREL: We zouden naar de Calvados vertrekken; een viertal professors waren al vooruit met een auto. Iedereen dacht dat het weer een oorlog zou worden met 4 jaar aan de IJzer.

We arriveerden rond 17 uur in Poperinge, in de Café “Au Boulevard” bij EH Cappoen. Geleidelijk arriveerde een groep van een 40-tal jongens. We sliepen  met ons drieën bij de zuster van  Cappoen, in het huis naast de herberg.

Zondag 19 Mei 1940

JOZEF: Opstaan rond 7 uur; H.Mis en Communie in de kapel van het klooster. We zitten in het Café bij Belgische soldaten tot ‘s middags. We vervelen ons ‘s voormiddags , we kunnen ook niet schrijven naar huis. Om 12u30 vertrekken we uit Poperinge  We kunnen te Watou de grens niet over, dus rijden we naar Watou waar we de grens overrijden om 15u30 naar “la terre promise”

We komen er meteen een Franse “motocycliste” tegen die vraagt of we geen parachutist hebben gezien.

We rijden dapper door per 2 en komen om 5 uur aan in de Mairie van Esquelsbecque in Frans-Vlaanderen. Daar spreken ze nog Vlaams maar met veel Franse woorden doorspekt. In de namiddag mogen we niet naar St-Omer, we versukkelen  in ganse rijen auto’s, Triphon rijdt bijna onder een auto, Raf Casteleyn en Abel Jansseune breken hun rem. Tegen de avond komen we aan te Serques. Karel Vangheluwe, zijn broer en ik gaan dadelijk slaapgelegenheid zoeken in de schuur van een hoeve. We worden een plaats aangewezen in de schuur in een hoekje op het hooi.  We zitten er samen met nog vele vluchtelingen. Tot laat in de avond is er geroezemoes van stemmen. Er is ook een zieke, maar nergens een dokter te vinden. We liggen in het hooi , en hebben het warm , dicht bij elkaar. De wind waait echter door de gaten van het dak. ‘s Nachts word ik nog wakker door een jong katje dat aan mijn oor kriebelt.

KAREL:  ’s Anderendaags bleek de grens gesloten. Toch geraken we er rond 15u30 over langs Abele en rijden onder leiding van EH Cappoen en EH Peel (in burgerkledij) dapper door. Tegen de avond komen we midden in het gedrum van vluchtelingen aan in Serques. We slapen in een schuur, in het hooi, naast nog veel anderen.

Maandag 20 Mei 1940

JOZEF:

5u30 H. Mis en Communie

8u30 vertrek naar Boulogne maar we mogen niet door, het is voortdurend van de ene kant naar de andere. We rijden door een schilderachtige streek. Na van een zeer steile berg te zijn gereden, wel 5 minuten dalen komen we te Colembert en houden halt wegens bandbreuk. Wij rijden verder na een deugddoende  voetwassing in de beek te Bournonville Als we in het bos van Desvres aankomen stelt Mr. Cappoen vast dat hij zijn rugzak kwijt is.

Dadelijk gaan Nolf en Roelens terug, terwijl wij blijven eten in het bos. Na ruim 2 uur zijn ze daar terug met de rugzak die ze hebben gevonden in Colembert. Mr. Cappoen belooft ons een bed voor de nacht  We vertrekken naar Desvres en wachten op Mr. Peel die slaping is gaan zoeken maar het is niet nodig. We zullen nog deze avond vertrekken en trachten door Montreuil  te rijden.

We hoorden zeggen in Desvres dat de jongelingen daar ook weg moesten en dat de Duitsers reeds in St-Quentin staan. We zien er ook enkele Engelsen (militairen ? sv)

We vertrekken om 20u30. De weg bergop doen we langs de fiets en verder gaat het veel bergaf. Na 1 km stellen we vast dat Julien Deceuninck ontbreekt Mr. Cappoen en Nolf rijden terug  en na een kwartier wordt de verloren zoon teruggebracht. We rijden verder in de maneschijn, 2 per 2 zonder licht. Mr. Peel rijdt op kop en Mr. Cappoen sluit de rij Even voor 24 uur komen we aan in Montreuil.

KAREL: Maandag 20 mei willen we naar Boulogne, maar mogen niet door. De tocht gaat bergop bergaf naar Colembert, Bournonville, Desvres, Montreuil, met platte band en andere perikelen.

We horen zeggen dat de Duitsers reeds in St-Quentin zijn, rijden door Montreuil verder tot 24u30 en slapen dan in open lucht op een haverveld. Het is bitter koud, niettegenstaande het mooie voorjaarsweer. Het is een zeer onrustige nacht. Kanonnen bulderen, zoeklichten beschijnen de hemel, vliegtuigen trekken over

Dinsdag 21 mei 1940 : De groep valt uiteen

JOZEF: We rijden of we stappen door Montreuil midden een vaart van auto’s . Het zijn wagens van Fransen die weinig op hun gemak schijnen. Meer door geluk dan door verstand geraken we uit die warboel en komen samen even buiten de stad. Om 24u30 slapen we op een haverveld, het is geweldig koud,  hoewel wij met zijn drieën (de Vangheluwe’s) bijna op elkaar liggen.

De nacht is zeer onrustig; kanonnen bulderen, lichtstralen schieten in de verte omhoog. Om 4 uur staan we op, rillend van de kou, de pakken opbinden en wegwezen. We rijden de baan op van Montreuil naar Rouen over Abbeville. We lijden bandbreuk en komen bij een vrekkige boerin die ons nog geen beetje water wil geven om ons te wassen. “’t Is te hopen dat zij nooit moet vluchten”

We willen over de Somme maar alle bruggen zijn gesprongen. We zetten ons op een tarwestuk om te eten waar het krioelt van de meikevers.

De grote wegen zitten vol met vluchtelingen per auto en per fiets. We rijden naar Berck, maar vliegtuigen beginnen te mitrailleren. Het duurt gelukkig maar even en hadden we juist een lekke band. Mensen lopen in de velden van schrik.

Te Waben geraken we in een grote massa volk onze beide suf’s kwijt, met nog 5 andere studenten. Een groep van 33 vinden elkaar terug aan een bocht vlakbij de duinen van Berck. We komen niet overeen. 31 man vertrekken terug naar Montreuil op, en 20 daarvan rijden naar Berck om vandaar naar huis te gaan. De 11 anderen blijven liggen in een weide om te eten  Na beraad wordt besloten.

8 man zullen proberen de Somme over te steken. Triphon ,Karel en Robert Lambercy zijn bang als ze bij de Duitsers geraken, dat ze zullen naar Duitsland moeten gaan werken.  Drie anderen  willen terug naar huis, nl. Marcel Lannoo, Hendrik Denoo, en Julien Deceuninck.

Met zijn achten gaan we naar de Somme. De broers Gustaaf en Richard Casteleyn, Triphon Dereeper, Robert Lambercy, de broers Karel en Jozef Vangheluwe, Jozef Feryn en Jozef Pollet. Nu wordt het verder het wedervaren van deze acht.

We rijden langs kleine wegeltjes en geraken op eentje dat doodloopt in de velden, dan volgen we een spoorweg en vinden een grintweg die naar de kust leidt.  Op een 3-tal km van de kust ontmoeten we een heerschap dat ons in ‘t Frans aanspreekt. Wat later blijkt het een Limburger te zijn die Nederlands spreekt met een zeer rare tongval. Hij zegt dat we over de Somme kunnen. We volgen hem, maar de schelm brengt ons recht in ‘t gevaar. Onze ogen gaan open en we zien in hem een spion.

We keren vlug een 10-tal km. terug en slapen in een lege stal. We wassen onze voeten in de vijver van de hoeve, en kopen eieren en melk . We eten onze laatste snede brood op , en horen dat er nergens geen brood te krijgen is.

KAREL: We staan dinsdag 21 mei op om 4 uur en rijden naar Rouen. De bruggen over de Somme zijn echter ge­sprongen en we draaien rechts op naar Berck, tussen vluchte­lin­gen en onder mitraillerende vliegtuigen. Te Waben valt onze groep uiteen. We geraken Peel en Cappoen kwijt en uiteindelijk zullen we met 8 jongens  nog een poging ondernemen om de Somme over te steken. Dit zijn Triphon Dereeper, Gustaaf en Richard Castelein, Robert Lambersy, Jozef Feryn, Jozef Pollet, mijn broer Jozef en ik.

Op 3 km van de kust volgen we een vreemde man, die ons een tijd misleidt, en waarvan we achteraf denken dat het een spion is. We keren een 10 tal km terug en slapen in een lege stal.

Woensdag 22 mei 1940: We kunnen niet verder

JOZEF: Het is een zeer onrustige nacht. We liggen op stro en horen de ganse nacht schieten dat de grond davert. Om 4u30 gaan we op weg naar  St-Valéry. Als we op 5 km ervan zijn begint het te regenen. Langs de weg staan overal verlaten auto’s van vluchtelingen. Ik kruip er in één, samen met Richard Casteleyn die nog vol goed (stoffen) ligt. De anderen vinden een fles wijn, maar wij varen beter.

We vinden 5 kg broodsuiker, 20 fietskettingen, zaklampen, een verrekijkertje, en een kleine apotheek. Ik doe nog wat zuurstofwater aan een wonde van mijn hand, neem een fietsketting mee en vind ook nog een doos gecondenseerde melk. De lucht is wat opgeklaard en we rijden verder naar St-Valéry. We eten nu en dan wat suiker, dat stilt de honger toch wat.

Op een 3-tal km. van St-Valéry vinden we een huis dat afgebrand is door een brandbom, en twee verbrande lijken (een man en een vrouw). Er rest niet veel meer dan de beenderen. Wat verder zagen we twee soldaten liggen. We hadden niet veel goesting meer als we dat allemaal zagen en we keren terug. Langs de baan is er een samenloop van mensen. Er vertelt een Franse officier dat de Duitsers reeds te St-Valéry zijn en de brug bewaakten. Ook is gans de streek omsingeld en de soldaten gevangengenomen.

We keren snel terug naar Rue. Langs de binnenwegen  overal geweren en materiaal van de Fransen, verlaten auto’s, enz. Als we in Rue komen aan de grote weg, kunnen we er niet op . Aan beide kanten op de trottoirs staan mensen te gapen naar voorbijrijdende Duitse Panzerwagens vol gehelmde soldaten die vliegend rap voorbijreden. Het waren de eerste Duitsers die we zagen. en het was een rare indruk. We hadden al zoveel gehoord over die mannen, en we keken ze belangstellend aan , allemaal jonge kerels met stroeve gezichten. Ze reden op zware wagens die denderend over de straat rolden op hun metalen kettingen. Ze reden in de richting Montreuil.

Wij verlaten Rue langs kleine wegeltjes en komen om 17 uur in Villers-sur-Authie. Langs de weg eten we in een grote schuur met errond allemaal werkmanshuisjes. Daar zien we een toonbeeld van het geestelijk verval van het Franse volk. In Villers-sur-Authie ontmoeten we nog een andere groep Torhoutenaars (15) We blijven echter afzonderlijk (we kenden nu het nadeel van zo’n grote groep)

In de schuur is Robert Lambercy achtergebleven Hij is van gedacht toch over de Somme te trekken om niet voor de Duitsers te moeten werken.

We hebben nu een plaats op een grote hoeve, waar we nog wat Kempense vluchtelingen vinden. Het is een dorpje met een drietal grote hoeven rond een klein kerkje en steeds met werkmanshuisjes errond. We gingen naar de pastorij aan de pastoor vragen of  we mis konden krijgen ‘s anderendaags. (We kunnen om 6u30 officiele tijd de communie krijgen) 

De pastoor toont ons ook een kaart om ons te laten zien waar we zitten, en langs waar we het best naar huis terug zouden kunnen. We wassen onze voeten in de vijver, als plotseling een Frans vliegtuig bovenkomt dat vreselijk beschoten wordt door een luchtafweerbatterij (de Duitse DCA) die niet ver de hoeve staat opgesteld. We horen de ene ontploffing na de andere van granaten vlak boven ons. We loerden met kloppend hart het spel af uit het deurgat van de stal, waar het stro gespreid ligt om te slapen.

KAREL: Woensdag 22 mei: na een onrustige nacht -de grond davert voortdurend van het schieten- vertrekken we om 4u30 naar St-Valéry. Onderweg begint het te regenen. Het is een verlaten streek, we zien maar weinig mensen en schuilen in enkele verlaten auto’s. We vinden er wijn en suiker. Na het ophouden van de regen rijden we verder. We passeren een uitgebrand huis en het lijk van een man en een vrouw langs de wegberm, totaal verbrand, geeft ons een gruw. We keren terug naar het stadje Rue midden een enorme ravage: geweren, materiaal, verlaten auto’s… In Rue zien we de eerste Duitsers passeren: weerszijden op de voetpaden staan de mensen te gapen naar de tanks en de pantserauto’s , en naar de vele buitgemaakte Franse legerauto’s met een haan erop geschilderd. We verlaten Rue langs kleine wegen, beseffend dat onze vlucht mislukt is. Rond 17 uur komen we aan in Villers-sur-Authie. We ontmoeten in de streek nog delen van onze groep van 40. We verliezen ook Robert Lambersy. Slapen doen we op een hoeve in een klein dorpje. Een prachtige kasteelhoeve, verlaten. We schrikken erg van het Duits afweergeschut dat vlakbij staat, en plots een Frans vliegtuig beschiet.

Donderdag 23 mei 1940 (H. Sacramentsdag)

JOZEF: Het is een zeer onrustige nacht. De grond davert voortdurend door geschut in de verte

Om 6u30 is er communie, en om 7u30 vertrekken we naar Montreuil op. We draaien weg op 7 km ervan. Er is steeds passage van Duitse troepen. We trekken met veel moeite over de eerste gesprongen brug die in het water ligt.  Pollet ligt er ook haast in.  Onderweg worden we steeds tegengehouden, en Richard Casteleyn heeft een platte band. Na 2 uur te hebben rondgereden komen we terug op dezelfde plaats, waar we een beetje ham eten. (van de broers Vangheluwe)

We steken het land over, een heel eind langs bieten…..berg op, berg af tot we aan een grote baan komen die we hadden zien liggen. Daar heb ik de eerste maal bandbreuk.

Langs kleine grint en aardewegen gaat het nu naar Fauquembergues, het eerste gebombardeerd stadje dat we zien, en het heeft het verre zitten. We mogen van de Duitsers niet door naar St-Omer, want daar vechten ze nog. We worden de weg opgestoken naar St-Pol.

In Audincthun blijven we, op 3 km van Fauquembergues. We vinden er een hofstede bij zeer goede “lieden” (Ik neem het woord hier opzettelijk over. sv): “M. Petit-Dupont”. We wandelen naar Coyecques om brood te kopen maar vinden er geen. Morgen terugkeren om 10 uur. Om 21 uur kruipen we in de lange pluimen.

KAREL: Een onrustige nacht wegens het oorlogsgedonder. Om 7u30 vertrekken we naar Montreuil. We passeren een ingestorte brug. Na uren te hebben gereden komen we op hetzelfde kruispunt weer uit. Onze voorraad voedsel is op . Alle acht eten we nu van onze twee “schotels” -buikzijden van een varken dat is het enige wat nog overblijft. Langs kleine grindwegen gaat het nu naar Fauquembergues, een gebombardeerde stad.(Fokkenberge zeggen de Vlaamse boeren die in de streek wonen). We mogen van de Duitsers niet door naar St-Omer en worden de weg opgezonden naar St-Pol-sur Ternoise. Drie km verder, in Audincthun blijven we overnachten op de hoeve Petit-Dupont, vlakbij het kerkje en het winkeltje. We wandelen naar Coyecques om brood te kopen maar krijgen er geen.

Vrijdag 24 mei 1940: Vergeefse poging

JOZEF: Het is die dag betrekkelijk kalm. Er is H.Mis om 7u30 met een vreemde priester. Gustaaf Casteleyn dient de mis.

We krijgen van de Duitsers brood, een stukje kaas, een conservedoos, wijn.

Om 9 uur gaan we weer naar Coyecques om brood, maar ook deze keer krijgen we er geen. We babbelen wat met de mensen van het hof, met de oudste zoon, en kunnen ook een stuk ongerezen brood krijgen en wat eieren die we laten koken. Zo verneem ik daar dat in Audincthun een zekere Maillard (of is het Maeyaert?) woont, un meunier die van Lo gekomen is. Ik denk na doch kan me zulk een naam niet herinneren.

Rond 10u30 vernemen we dat we naar huis kunnen  langs Aire-Hazebrouck-Poperinge. We eten en om 11u30 zijn we al op weg. We rijden naar Thérouanne, maar mogen niet door. Men  is bezig met bombarderen wordt hier gezegd. We willen naar Lillers, maar mogen ook niet door. Overal is de weg versperd door Duitse politie die de vluchtelingen een andere baan opstuurt zodat ze terugkeren vanwaar ze gekomen zijn.

We draaien weg en gaan naar Choque. Daar komen we bij Duitsers die zeggen dat het best is terug te keren, er staan kanonnen in het veld. We besluiten dus terug te keren naar Audincthun, en nog wat te wachten om naar huis te gaan. We zullen wel niet heel dood zijn van de honger. We gaan langs andere wegen en verdwalen. Ik heb bandbreuk en moet te voet gaan, Karel Vangheluwe blijft bij mij. Het begint reeds te deemsteren, en ‘t is nog wel 15 km naar Audincthun. We hebben reeds een ganse dag gereden langs stofferige banen in de stekende zon, bergop bergaf, en met een zwaar valies op de fiets. En nu eindigt de dag met een marstocht.

De anderen rijden ondertussen verder. Maar ook Pollet heeft een bandbreuk, Triphon blijft erbij en ze komen samen achter. De drie anderen rijden verder maar rijden mis en moeten 5 km terugkeren. Ze vinden eindelijk de weg naar Audincthun terug en kloppen aan een hoekherberg, vragen de weg naar de kerk, en of er geen plaats is om te slapen. Ze krijgen een kafzak of twee en gekookte patatten met de pel. Jozef Vangheluwe rijdt terug. Ondertussen stap ik rap door, terwijl het zweet op mijn rug staat, bergop, bergaf.

We komen aan een groepje huizen langs een grote baan die we oversteken. We gaan binnen in een huis waar we licht zien. We vragen iets te eten, want zij zijn daar juist bezig met gebruneerde patatten en gebraad, doch …..het enige wat we krijgen is een pul water en we kunnen ophoepelen. Nu, onze dorst is tenminste gelest. We gaan verder langs een eenzame grintweg tussen enorme velden, tot we in de verte plots een lichtbron zien.

Om 23 u30 komen we aan een hoekherberg, kloppen, we denken : misschien is hier slaping, en tot onze verbazing  is het Casteleyn die opendoet. Even later komt ook Jozef Vangheluwe terug, die ons gemist had.. Karel en ik eten patatten met de pele, en of die kunnen smaken. We krijgen zelfs een bed terwijl de anderen op een strozak slapen.

KAREL: Vrijdag 24 mei verloopt betrekkelijk kalm. Een groepje Duitse soldaten is ook op de grote hoeve gelegerd en we krijgen eten van hen. We praten met een Duitse motocyclist die erg fier is op de overwinning.  We krijgen en kopen verder wat voedsel op de hoeve. Rond Half elf vernemen we dat we naar huis kunnen langs Aire- Hazebrouck- Poperinge. We eten en om 11u30 zijn we reeds op weg. We rijden naar Thérouanne maar mogen niet door naar Aire, ook niet naar Lillers. We keren terug vanwaar we gekomen zijn. We gaan naar Choques maar ook daar wordt nog gevochten. We besluiten terug te keren naar Audincthun, en nog wat te wachten om naar huis te gaan. We verdwalen, hebben de een na de ander bandbreuk, moeten te voet verder, raken verdeeld in groepjes van twee, en arriveren midden de nacht samen in een eenzame hoekherberg midden de bossen. We krijgen er grote gekookte aardappelen en slapen op de zolder van het kleine huisje.

Zaterdag 25 mei 1940:terug naar de hoeve

JOZEF: We staan op rond 8 uur. We eten nog wat patatten en drinken nog wat melk. Mijn hoofd weegt zwaar maar ‘t gaat wel over. We herstellen een aantal platte banden. Ik vraag aan de vrouw van de herberg waar die  M. Maillard woont, en ze toont ons de weg. Het is niet ver, ergens verdoken op een heuvel tussen gebladerte. We kunnen naar onze hoeve terug en zullen een paar dagen blijven.

We eten ‘s middags wat. Pollet haalt een bon naar de Mairie voor brood. We krijgen maar een half voor 7 man, en dit per dag. Eén brood kost bovendien 5,25 fr. Verder is er verveling aan boord.

KAREL: Zaterdag 25 mei keren we naar de hoeve Petit voor een paar dagen terug ,krijgen van de Mairie een karig broodrantsoen­ en vervelen ons.

Zondag 26 mei 1940

JOZEF: Opstaan rond 6u30, H. Communie rond 7u30, Rond 8u30 krijgen we brood. We kopen vlees (koevlees). De boer slacht een kalf terwijl een dikke Waalse en een fijne Antwerpse slager hem helpen.  Om 12 uur is er H.Mis. Meest vluchtelingen, vooraan een Duitse Feldwebel, en wij helemaal langs achter. Enkele kinderen en vrouwen zingen de Mis. Wij moeten nogal lachen met die rare zangwijze, vooral als ze eruitvallen. Het is de Mis van Sacramentsdag dat ze zingen.

We krijgen in de namiddag presse-puree van de dochter des huizes. Als we reeds bijna slapen brengt ze ons nog wat gestoofd kalfsvlees, en een half brood. En het gaat smakelijk naar binnen.. Van de Duitsers krijgen we ook nog een brood en een doos leverpaté.

KAREL: Zondag 26 mei zien we op de hoeve een kalf slachten, langs een ladder hangend, kop omlaag. Een Antwerpse beenhouwer met hese stem snijdt het zomaar de kop af. We kopen kalfsvlees en krijgen er nog toe van de hoeve. We ondervinden dat de Bretoense boer maar half en half zijn eigen vrouwtje verstaat als die opspeelt in ’t Patois.

We horen mis in het kleine , mooie kerkje en ik hoor kinderen zingen tot mijn verbazing “Notre-Dame de France”. Ik dacht altijd dat het OLV van Vlaanderen was.

Maandag 27 mei 1940

JOZEF: H. Communie en Mis te 7u30. Het ontbijt bestaat uit brood met leverpaté. We krijgen van de Duitsers één kom vette soep, twee conservedozen, thee, een stukje kaas  en sigaretten. We kunnen ook een brood kopen bij de boer. Er komen Duitsers logeren op de hoeve en we mogen hun auto eens zien. Alles is zeer fijn ingericht; ze hebben zelfs een uitzendpost bij.

Als middagmaal eten we een restant van de soep, vlees, patatten, 1 boterham en melk. We halen boter bij de boer (16 franse frank de kilo)

Het avondeten bestond uit vlees en brood en  ook één gekookt ei. Na het eten spreken we gezellig met de zoon des huizes (18 jaar), leren woorden kennen uit zijn patois, zeer leuke woorden overigens. We kunnen ook de tranchée (loopgracht) bezoeken.

KAREL: Maandag 27 mei krijgen we voedsel van de Duitsers, o.a. een kom zeer lekkere soep die echter na één dag al zuur is.

Dinsdag 28 mei 1940: Verveling

JOZEF: H. Mis en Communie om 7u30. Het ontbijt bestaat uit één ei en een boterham.

We mogen karnen en hout kappen. We laten patatten koken van een klutsje dat we gekocht hadden in Audincthun. Onze Duitse soep die we nog over hadden is zuur. Het middagmaal bestaat uit patatten en boterstuiten. We zijn een broodbon kwijt, maar Pollet vraagt en krijgt een nieuwe.

‘s Namiddags regent het. We zijn van gedacht naar huis te gaan maar het weer houdt ons tegen. We hoeren dat het wapenstilstand is in België Dereeper en Pollet trekken naar de Ortskommandant maar die is niet thuis. Er is weinig nieuws. We vernemen van de Fransen dat er wapenstilstand is, dat de Duitsers zouden ingesloten zijn, en dat er een tegenaanval is.

We vervelen ons en zijn van plan morgen naar huis te gaan.

KAREL: Dinsdag 28 mei horen we allerlei tegenstrijdige berichten over het verloop van de oorlog.

Woensdag 29 mei 1940: Terugkeer?

JOZEF:  Na een kalme nacht is er H. Mis en Communie te 7u30.  We halen eieren en brood . In de namiddag gaan Richard Casteleyn en ik naar Maeyaerts. Ik was er reeds alleen geweest, en was welgekomen. Ze hadden echter zelf wel 100 vluchtelingen. Desondanks kregen we een potje koffie en een glas bier. Het is een groot hof met zeer oude gebouwen  “La Foret” genaamd, om al de struiken die errond staan. Het is dus Maeyaert die van Lo afkomstig is. Ik ga nog eens rond met de dochter om alles te bekijken en ze toont een stal met wel 100 hondekoten. Er zitten nog ongeveer een tiental rashonden in, die afgericht zijn voor het franse leger. De rest hadden de Fransen meegenomen.

We vragen ook of we niet kunnen helpen bieten kappen, maar er zijn reeds mannen genoeg.. We keren terug en eten ‘s middags presse-puréé, patatten, en brood. Na de middag gaan Pollet en ik naar de Ortskommandant ter plaatse. We komen in zijn bureau waar nog vele andere officieren zitten. Hij wijst ons de richting aan voor Cambrai, Maubeuge, Brussel. We zeggen dat we van West-Flandern zijn maar …….es hilft nicht……..we mogen algauw vertrekken van de Ortskommandant die er met zijn barse stem en zijn wreed gezicht als een loebas uitziet.

Berichten van de dag zijn:

-jonge vrouw van 25 jaar, moeder van 3 kinderen, ontvoerd in Audincthun door de Duitsers

– meisje van 15 jaar eveneens ontvoerd

-Arras blijft aan de Fransen

-Geen wapenstilstand in België: nog hevige gevechten aan de Schelde en de Leie, o.a; in Kortrijk.

In de namiddag kunnen we wat hout kappen voor de boer. Na de nare berichten vervelen we ons.

Om 15u30 komt een bericht via de radio (horen we van de boer) : De Duitsers zoeken de Belgische vluchtelingen op en brengen ze naar een kamp in Cambrai. We durven op straat niet meer komen en voelen aan wat we missen: ons huis.

Als vieruurtje eten we koeieogen (geroerde eieren) brood met boter, water (elk een halve boterham) Na 4 uur liggen we wat te zingen in het stro. Ik voel niet veel lust en ga wat rondlopen. We zingen juist van “‘t Ros Beiaard doet zijn ronde…” als ik plots door een gaatje in de lemen schuur de Ortskommandant recht op ons zie afkomen.

Ik zei het aan de anderen, maar die meenden dat ik het zei om te lachen. Richard Casteleyn deed de deur open en daar stond de Orts met nog een wacht bij zich. …Quarens quem devoret…Hij vroeg: “Refugiés ?” “ oui” , zei Casteleyn.  “Belges?”  “oui”.  Dan weer : “Warum sind Sie noch nicht vertrocken ?”  Triphon antwoordt: “Wir können noch nicht nach der Heimat”  De Orts vraagt nu: “Stadt, ville ?  en wij samen: “Torhout”

De Orts, eerst kwaad maar nu wat gekalmeerd door onze verschrikte gezichten zegt ons: “Parti aujourd’hui , Arras, Maubeuge, Brussel……Packen machen” en weg was hij.

Wij dus vlug ingepakt, fietsen in orde en afscheid genomen van onze medevluchtelingen, boerin en kinderen. Ook van de pastoor die ook een réfugié bleek te zijn en wiens mis we alle dagen dienden. We rijden naar Coyecques maar na 100 m is het reeds banden blazen. Vervolgens gaat het naar Dennebroeucq, maar langs de weg is het zeer kalm. Het is stil en eenzaam langs de baan. We laten onze hoofden hangen; de bergen zijn lastig en zelfs de bergaf brengt geen plezier.

Van Dennebroeucq gaat het naar Wandonne. We zien veel Duitse troepen, ze laten veel lege benzinetanks achter, en zijn haastig en gejaagd. We komen op de grote baan naar Fruges en zien er een aanplakbrief van de Duitsers waarop staat dat alle Belgische vluchtelingen nog niet kunnen terugkeren. Ze doen er best aan in een klein dorpje te blijven. Waarschijnlijk is deze brief bedoeld om de troepenbeweging  zo weinig mogelijk te belemmeren. We rijden naar Fruges, en vervolgens naar een klein dorpje :Lugy. Er is geen pastoor, en we ontmoeten op een hofstede mensen van Leke, zodat we daar ook verblijven.

KAREL: Woensdag 29 mei treden Jozef Feryn en Jozef Pollet op als taalsman voor een paar boeren bij het opeisen van de varkens door de Duitsers. Dat staat de Ortskommandant niet aan en hij beveelt ons te vertrekken in de richting Cambrai-Maubeuge-Brussel  “Es ist viel besser in Belgien….” We hebben echter geen goesting om naar Brussel te rijden.

Langs de radio van de boer om vernemen we veel berichten die onrustwekkend zijn, o.m. van baldadigheden allerhande   en  dat nog gevochten wordt langs de Leie.

We durven zelfs op straat niet meer komen en liggen na 16 uur wat te zingen in het stro als plots de Ortskommandant afkomt naar ons lemen huisje met het barse bevel onmiddellijk te vertrekken. Wij aan het inpakken, afscheid genomen van de vriendelijke Fransen en op weg naar Coyeques- Dennebrouck. Het is stil en eenzaam langs de wegen. Van Dennebrouck naar Wandomme. We komen het Duitse voetvolk tegen met hun tros legerkarretje, die de gemotoriseerde troepen volgen. Dan naar Fruges en 5 km verder naar Lugy waar we overnachten.

Donderdag 30 mei 1940

JOZEF: Er is geen H.Mis. We liggen nog in ‘t stro en de Duitsers komen op het hof. Gelukkig is het niet om iemand te zoeken .

Het ontbijt bestaat uit 1 boterham , maar om 10 uur kunnen we brood halen in Hézecques. Het middagmaal bestaat uit anderhalve boterham en een ei. We gaan in de namiddag naar de pastoor van Hézecques vragen om morgen naar de Mis te kunnen. ‘s Avonds hebben we geluk dat we aan 4 broden en 5 kilo aardappelen kunnen geraken. Om 21 u gaan we slapen.

KAREL: Donderdag 30 mei rond 10 uur naar Hézeque waar we met wat geluk aan 4 broden en 5 kg aardappelen geraken. Overnachting in ’t stro van een hoeve in Hézeques.

Vrijdag 31 mei 1940: Naar huis

JOZEF:  Feest van het Heilig Hart. Er is Mis en Communie om 7u30 te Hézecques. De pastoor is een zeer vriendelijk man. Door zijn hof en het kerkhof gaan we naar de kerk. Het is een prachtig gebouw met een mooi Gotisch koor en mooie ramen.  Het ontbijt bestaat uit 2 boterhammen, meer durven we niet te eten. Het is eigenlijk al veel voor wie reeds een week op zijn vet leeft. We maken de pakken en vooruit naar huis.

Om 9u30 vertrek uit Lugy. Een man waarschuwt ons dat de Duitsers alle fietsen pakken. We zullen kleine baantjes nemen naar St-Pol-sur-Ternoise. Pollet zijn achterwiel verspringt, en de ketting loopt af. Herstellen dus. Langs de grote weg zijn er voortdurend troepen. We wachten tot ze wat weg zijn. en rijden eerst wat op en neer. Sommige mensen zeggen dat men de fietsen pakt, anderen zeggen het omgekeerde. We nemen uiteindelijk de grote weg naar St-Pol en vliegen vooruit. Nergens is er iets te zien. Triphon breekt zijn rem en rond 2u15 komen we toe in St-Pol (niet gebombardeerd) . We nemen nu de grote weg naar Arras en zien veel vliegtuigen boven ons, troepen, vluchtelingen, graven van soldaten, verbrande auto’s en tanks, en stinkende kadavers van koeien en paarden.

De streek draagt hier de sporen van zware gevechten. Stukgereden velden, bommenkraters, zelfs in de baan, waar men een gans huis in kan krijgen. Op 8 km van Arras rijden we rechtsaf naar Duisans. We verfrissen onze voeten in een snelstromend beekje. We rijden verder en komen op 6 km van Arras. Langs de weg graven van alle soorten soldaten. Door Arras gaan we op de gaanpaden. Er is teveel glas om door te fietsen en er zijn veel huizen kapot.  We willen naar Cambrai maar wegens te veel troepen mogen we niet door. We rijden door de velden en komen aan in Athies-sur-Orge

We verblijven er voor de nacht in de schuur van een gans verlaten hoeve, die zwaar is beschoten. Er slaapt ook een varken. In de hoeve zijn er 40 Engelsen gedood, en ook een aantal Duitsers. Er is hevig gevochten. We gaan op zoek in de keuken, kamers en kelders. We vinden 2 flessen wijn, 2 potjes gelei, en een Michelinkaart van Frankrijk. Het waren heel zeker rijke boeren want we zien er nog een piano en veel boeken.

KAREL: Vrijdag 31 mei -Feest van het Heilig Hart.

H. Mis in de prachtige kerk. Twee boterhammen en sterke koffie in de pastorie. Pakken maken en weer op weg. Om 9u30 weg uit Lugy, en langs kleine baantjes naar St-Pol. Tenslotte na veel weifelen rijden we toch op de grote baan naar St-Pol, en vandaar naar Arras. We ontmoeten Duitse troepen, terugkerende vluchtelingen, graven van gesneuvelden, verbrande auto’s en tanks, stinkende dode paarden en koeien in de weiden die met een opgezwollen buik liggen, zodat de twee linker- of rechterpoten in de lucht steken. Een weide waar een tankslag uitgevochten werd. Stukgereden velden, kleine obusputten en grote bomputten. Arras kompleet vernield. Doorheen glas en steenbrokken trekken we te voet door de stad waarvan de ene helft hoog en de andere laag gelegen is. Is dat nu de plaats waar men onze duiven lost ?

We willen naar Cambrai, maar mogen niet passeren van de Duitsers (teveel troepenbeweging, voetvolk, fietsers, op en kruispunt één groot defilé) We rijden door de velden en komen in Athis-sur-Orge, een klein dorpje bekend om zijn verdrag van 1345. Het dorpje is verlaten; het vee komt loeien om gemolken te worden. De melk loopt uit de uiers verloren op de grond en wij kunnen of durven niet melken. We slapen in een verlaten hoeve die erg beschadigd is achteraan in een grote schuur. ’s Nachts krijgen we bezoek van een hongerig varken. Een eenzame inwoner haalt voor ons veel flessen wijn uit een verlaten huis.

Zaterdag 1 juni 1940:Midden het oorlogsleed

JOZEF: Om 4u30 krijgen we bezoek van het varken. Om 6u30 blijkt dat Triphon tijdens de nacht een hele fles wijn heeft leeggedronken. We ontnuchteren met wat chocoladepoeder dat we hadden gevonden. Mijn band moet worden hersteld , maar om 7u30 kunnen we vertrekken uit Athies-sur Orge. Alles gaat goed , maar we zien wel opnieuw de sporen van de oorlog. Kapotte huizen, vernielde velden en soldatengraven.. Van de mensen krijgen we nog geen glas water. We rijden langs de grote baan naar Douai. Een eindweegs voor Douai wordt Karel Vangheluwe aangehouden en naar de Kommandantur van een dorp geleid. Na een drie kwartier mag hij terugkeren.

 Vandaar gaat het naar Douai, en vervolgens langs smalle wegen naar Valenciennes. We zitten te midden van een grote groep vluchtelingen die te voet, in karretjes, op fietsen soms zonder banden , zich vooruitbewegen. We zien een in de lucht gesprongen wagen met vluchtelingen. Er hangt overal lijkgeur.

Triphon moet zijn pas tonen. Wij daarna nog wel 6 maal. Geleid langs kleine baantjes komen we eindelijk weer op de grote baan. Voor Valenciennes moeten we 1 uur wachten. We gaan over 7 gesprongen bruggen en rijden dan verder langs de Schelde. Er hangt overal lijkgeur. We komen terug op de grote baan naar Mons op 10 km van de grens . We verlaten de grote steenweg  en verblijven in Quarouble. We slapen in een herberg die leeg staat midden op het dorp. We kunnen ons ook wassen. Souper in open lucht op stoelen met een tafel. Het smaakt lekker maar het is weinig. Morgen is er Mis om 7 uur met een vreemde priester.

KAREL: Zaterdag 1 juni. We eten chocoladepoeder dat we daar gevonden hebben. We vertrekken om 7u30 naar Douai langs de grote baan, door de Duitse eskaders Messerschmidts bewaakt. Een eind voor Douai wordt ik aangehouden en moet 1 km ver mee naar de Kommandantur van een dorp. Daar aangekomen roept men vanuit een venster dat het niet meer nodig is. Ik krijg toelating om terug te keren, maar heb een hachelijk uur beleefd. Ik heb nooit geweten waarom ze mij moesten hebben. Op aandringen van Jozef hebben de anderen ook op mij gewacht en we zetten de weg verder naar Valen­ciennes. Overal hangt een lijkgeur. Uren aan een stuk zien we in de verte de torens van Dénain. Regelmatig moeten we ons paspoort tonen. We gaan over zeven gesprongen bruggen en rijden verder langs de Schelde. Hier en daar opgehouden door vluchtelingen zoeken we de binnenwegen en komen terug op de grote baan naar Mons op 10 km van de Belgische grens. We blijven in Quarouble om te slapen, en worden er een leegstaand huis aangewezen door de burgemeester. We steken er het hondje buiten dat de hele nacht blijft blaffen zodat we weinig kunnen slapen. We moeten het weinige brood dat we nog hebben karig verdelen, want we hebben uitgerekend dat we maar een goede honderd km van huis zijn en die willen we in één trek afleggen.

Zondag 2 juni 1940: thuiskomst

JOZEF: We wachten tot 8 uur voor de H.Mis, maar de pastoor heeft geen kelk en komt niet. We gaan voort ontbijten, maken de fietsen in orde en ….de grote baan op naar Mons. We steken de grens over om 9u30 en rijden door tot we opeens een baan dwarsen die naar Doornik leidt, dus wij langs daar verder.  Een weinig voor Doornik noenmalen we een stukje brood met ham. Ondertussen komt de fut erin, we vliegen bij het idee dat we thuis naderen. Triphon leidt nog bandbreuk, herstellen, vooruit naar Doornik. De stad is fel beschoten, de kathedraal staat nog recht

We nemen de grote baan naar Kortrijk waar ik nog tweemaal plat rijd, maar ik ben de enige niet. We zijn echter al vier uur aan het rijden tussen Doornik en Kortrijk. We moeten thuis geraken vandaag. We eten te Kooigem. Door Kortrijk over de noodbrug naast de gesprongen Noordbrug. rijden we over de Leie. Ik heb geen zin om naar familie te gaan, ik wil eerst naar huis. Trouwens, de toegang tot de Pieter Tacklaan is “gesperrt” en bij nonkel Louis’ zijn ze niet thuis, heb ik gezien in het passeren. Jozef Pollet blijft in Kortrijk achter bij familie. Wij gaan er met onze laatste krachten van door. Ik op mijn ruttelkarre, met plat valies, en platten buik, en zwart van het stof.

Aan de Voerman achterhalen we mijn buur Remi Vallaeys, samen met zijn dochter. Ik rijd mee, de anderen rijden verder naar huis  Ik krijg een appel of twee, en we slaan in aan het Slunsje. Ik ga eerst eens binnen bij Celine’s. Remi rijdt verder en neemt mijn binnenband mee om thuis te laten raden van wie hij is. Celine botert een hele hoop stuiten. Ik kan wel niet anders dan ze binnendraaien. Ondertussen komt vader tegen, en ‘k ben algauw thuis. Juist 14 dagen weggeweest. De aankomst is niet zo triestig als het vertrek. Ik eet nog rap een stuit of vijf en vertel een en ander…

KAREL: Zondag 2 juni gaan we zoals elke dag naar de H. Mis om 7 uur en om 8 uur zijn we kant en klaar de baan op naar Mons. Tot we opeens aan een kruispunt komen met een wegwijzer naar Doornik. Een weinig voor we de stad bereiken, noenmalen we met een stukje brood en het laatste restje van onze “schotels”. We krijgen moed en rijden dapper door. We passeren Doornik: midden de puinen der binnenstad staat de kathedraal groot en eenzaam, zo goed als gaaf. Wegens bandepech doen we er 4 uur over van Doornik naar Kortrijk. Jozef Pollet blijft in Kortrijk bij familie. Aan de Voerman blijft Jozef Feryn achter bij een kennis, de anderen kunnen niet meer en gaan te voet de berg op. Ik blijf rijden, ik, de held, beeld u eens in! Zo ben ik tien minuten vroeger dan de overige vier in Lichtervelde, en rijd dwars door het dorp naar de Torhoutstraat. Ik bel aan: het huis is gesloten. Ik stap over de afsluiting de tuin binnen en kom in de keuken. Ik ontmoet er moeder die intussen door René D’Hulster verwittigd werd van mijn komst. Ze was met vader bij Jean Vandeweghe, de koster wat gaan praten.

Het is een stormachtig weerzien, ze vraagt voortdurend naar Jozef en gelooft me niet als ik zeg dat hij dadelijk zal aankomen. Toch gebeurt dat: Jozef arriveert samen Triphon Dereeper, Gustaaf en Richard Casteleyn. Moeder bereidt een hartig maal, we zien scheel van de honger. We vertellen over alles wat we hebben meegemaakt. Achteraf heb ik nooit meer kontakt gehad met één van deze drie jongens. Onze vlucht heeft juist 14 dagen geduurd. Het eerste nieuws dat ik vernam was treurig: Aimé Tanghe was gedood in het bombardement dat de Duitsers op het dorp hadden uitgevoerd en was reeds begraven.

Links Jozef en rechts Karel, detwee-eiige tweelingbroers. De foto dateert van 1946 toen ze hun legerdienst volbrachten. Ze zaten samen in een transportcompagnie en hadden een groot stuk van hun chauffeursopleidingen in Engeland. Hun taak bestond er onder andere in om de her en der achtergelaten munitie die hier in de West-Vlaamse regio op te halen en te stockeren.
Zij deden dat samen met Engelse militairen die hier gestationeerd waren. Zo leerde hij toch een woordje Engels praten/ begrijpen.
 Opgetekend door Stefaan Vangheluwe in 1995 & foto via Bart Vangheluwe